Home   Nieuws   Over ons   Contact   Switch to English   Onderwijs   Kunst   Natuur   Lepra 
Juryspeech TNGW 2010 Ramsey Nasr


zie ook:
De Tweede Turing Nationale Gedichtenwedstrijd (2010)

Toespraak van Ramsey Nasr op 26 januari 2011 ter gelegenheid van de bekendmaking van de uitslag van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd

Ramsey Nasr
Ramsey Nasr, Dichter des Vaderlands sinds 2009,
ambassadeur van de Tweede Turing Nationale Gedichtenwedstrijd,
tijdens zijn speech in de Stadsschouwburg van Amsterdam

Loading flash player...
(Als de flash player niet werkt, probeer het geluidsfragment dan hier te beluisteren...
Opname van de speech

Dames en heren,

Ik weet NIET wie er vanavond gaat winnen. Ik weet NIET wie er op nummer 2 of 3 is geëindigd. Ik ben NIET op de hoogte van de beraadslagingen van de jury. Ik kom gewoon een praatje houden, en springt u dus zometeen niet op als ik bij wijze van illustratie uw gedicht of een regel daaruit aanhaal. Komt u dan niet jubelend en stampend de trappen af, met geheven armen: ‘Dat ben ik! Dat ben ik!’ Er is al genoeg verwarring geweest de laatste weken.
    100 gedichten. Als je al íéts over dit amalgaam van totaal verschillende dichters, versvormen en onderwerpen kunt zeggen, dan wel hoe flexibel kennelijk de poëzie zelf is. Sonnetten, vrije verzen, prozagedichten, er is een gedicht in de vorm van een driehoek, er zijn liefdesgedichten, afrekeningen met harde vaders, maar ook een cursus: hoe word ik net zo’n dooie saaie lul als mijn zwager. Naam en adres van de betreffende zwager alias de saaie lul werden netjes opgenomen in het gedicht, en het is de heer Jan Lazer, woonachtig op nummer 10 van ’t Hazepad. Geachte dichter van nummer 192, waar zit u? Wat zal uw zwager straks blij zijn als u misschien wint. Ik zie het familiefeestje al voor me.
    Er waren duistere gedichten onder de inzendingen: verzen waarin het ene mysterieuze beeld aan het andere werd geregen, en waarbij je zelf op zoek moet gaan naar de onzichtbare draad. ‘Gek verlangen’ was zo’n gedicht, dat even ongrijpbaar eindigt als hoe het begon: ‘gek van verlangen plak ik stickers op deuren / trek thuis aan een slapeloze bel’. Een kaleidoscoop van onheilspellende beelden vol gemis.
    Andere gedichten waren daarbij vergeleken dan weer pijnlijk direct:

[dus] blaas

wat mij betreft die hemelen
maar op en tegelijk die naar
behoeften

verzonnen beelden van de ware
god, zodat we eindelijk
weten waar wij staan.

alleen is maar alleen, twee
telt al aardig aan, vermits wel
te verstaan: lief

en van vlees en bloed.
Het is een even krachtige als machteloze poging om een lief te claimen, op te eisen: hier, nu!
    Verder ben ik ook pastiches tegengekomen, op werk van levende én dode dichters. Eén gedicht afficheert zich zelfs open en bloot als een vervalsing, geschreven door een soort Han van Meegeren. Deze verzen zijn geheel en al in de statige stijl van Vondel geschreven, inclusief zeventiende-eeuwse spelwijze.
    De meeste gedichten waren echter opvallend hedendaags van opzet. Soms onderwierp de anonieme dichter zijn verzen alvast zelf aan een hardhandig oordeel: het gedicht werd binnengeleid
de jury begon met het verhoor
urenlang, dagenlang werden
dezelfde martelende vragen gesteld

wie heeft jou geschreven?
wat is jouw betekenis?
wat moeten we met je?
wie denk je wel dat je bent?
Inderdaad. Bij gedichten die zo kneedbaar en divers zijn als een geslacht van Barbapappa’s dient zich vanzelf de vraag aan: wat moeten we met jullie? Wat zeggen jullie ons? En nogmaals: wat bindt jullie samen?
    Als het zoveel gedaanten kan aannemen, is het dan eigenlijk wel allemaal poëzie?
    Ja, wat is poëzie?
    Het antwoord op deze vraag kunt u sinds kort vinden op de site van ‘Met het oog op morgen’, waar bloggers het gastenboek de afgelopen weken hebben volgekalkt met wijsheid.
    Zoals u weet, werd deze maand de persoonlijke keuze van de presentator John Jansen van Galen voorgelezen door Gerrit Komrij, Huub van der Lubbe en ondergetekende.
    De reacties op die gedichten stroomden binnen. Meerdere daarvan werden even anoniem ingediend als de gedichten die aan hun inquisitie werden onderworpen. Soms was het geluid positief. Niet zelden werd het gedicht ter plekke verbeterd. Vaakst van al was echter het geluid van ene Bert te horen, die reeds na de eerste uitzending wist: Wat een rotzooi zeg. […] Als je dit een gedicht vind [sic] dat in een top 100 hoort ben je toch een enorme zoutzak. Deze sierlijke inzet had een bijzondere discussie tot gevolg. De volgende dag was op de radio het tweede geselecteerde gedicht te horen, ‘monumentje’, dat ik voor de duidelijkheid integraal zal voorlezen: hij zakte zomaar in elkaar
liet al zijn wegwerptassen los

een restje wijn en blikjes bier
rollen rinkelend over straat

geschrokken deinzen mensen terug
geen mond-op-mondbeademing

een enkeling pakt zijn mobiel
iemand zet een blikje recht

de tram waarin ik zit trekt op

zolang ik hem kan zien
kijk ik nog even om

met zijn volle ruige baard
in winterjas van mottig bont
liggend voor een bloemenstal
met al die blikjes om hem heen
is het vanuit de verte net
een gigantisch knuffelbeest
alvast door iemand neergelegd
Bert barst los: Dat tweede gedicht zat vol storende fouten. Het eerste ‘een restje wijn dat rinkelend over straat rolt’ kom nou even, als je zo weinig moeite in een gedicht stopt….tweede is een perspectief fout: dat die ‘teddybear’ reusachtig genoemd wordt terwijl de tram juist weg aan het rijden is. […] Geen gedicht waar goed over is nagedacht. Ook een irritante relatie met nieuwrechtse retoriek: de knuffelallochtoon. Je kunt immers aan de onschrijving van zijn kleding al afleiden dat het geen Nederlander is. Over dat laatste straks meer. Ene Iriska dient hem van repliek: haha, een gedicht met ‘fouten’. dat heet nou poëtische vrijheid. […] het ‘restje wijn rolt rinkelend’, dat roept natuurlijk het beeld op van de FLES waar dat restje inzit. het ‘gigantische’ knuffelbeest is vanuit het (subjectieve) perspectief van de dichter, daarin kan zelfs een kiezelsteen reusachtig zijn […]en dan de associatie met de knuffelallochtoon?? dat mag je doen hoor, iedere lezer zijn eigen gedicht - bij mij roept het gewoon het beeld van een zwerver met een vieze lange baard op. is jouw reactie een grap? of moet alles ‘kloppen’ in een gedicht en moet de dichter alles uitleggen?? Bert, zes minuten later, als door een adder gebeten: Wat een totaal ridicuul idee dat je ‘dichterlijke vrijheden’ nodig zou moeten hebben om een goede tekst te schrijven. Leg mij eens uit wat de toegevoegde waarde is van bovenstaande constructie tov ‘een fles wijn rolt rinkelend over straat’? Ik kan het wel even voorzeggen: die toegevoegde waarde is 0,0 Dan mengt Irene zich in de discussie. ‘Grappig,’ schrijft zij, ‘hoe anders je gedichten leest. Bert […] stoort zich aan het reusachtige van het knuffelbeest. Ik denk aan de bergen kaarsjes en teddyberen die na ieder ‘zinloos’ alsof er zinvol bestaat, geweld op de plaats delict ligt. En daarmee vergeleken is dit knuffelbeest reusachtig. Ik hoor een aanklacht tegen de onverschilligheid tegenover deze man, die overigens meer voldoet aan de beschrijving van een autochtone zwerver dan van een allochtoon. Bert slaat terug: ‘Irene. Dat is inderdaad precies wat dit tot een slecht gedicht maakt: dat het die zinloos geweld kitsch reproduceert zonder ook maar een enkele intelligente invalshoek of opmerking eraan toe te voegen. […] Tot nu toe lijkt het erop dat vooral infantiliteit de factor van belang was om tot de uitverkorenen te mogen worden gerekend. Waarop weer een ander repliceert: Ik heb het idee dat Bert een beetje last heeft van frustraties. […] Wil je er over praten? Bert: Uiteraard heb ik ‘frustraties’ ik heb immers al een avond of zes deze wangedrochten moeten aanhoren als zijnde het beste waartoe de Nederlandse natie onder verleiding van een grote zak geld in staat is. Daar wordt [sic] je niet bepaald vrolijk van. Affijn, en dat gaat dan nog zo’n tijdje door, geheel volgens de wetten van internet, en wanneer enkelingen Bert erop wijzen dat hij zijn kritiek ook wat netter en genuanceerder kan uiten reageert de poëzieliefhebber met: ‘Hou je kritiek netjes’? Zit ik hier op etiquetteles bij een of andere gesjeesde schooljuf uit een sprookjesboek? Ik geef mijn mening over de gedichten die langskomen en als de dames daar niet tegen kunnen moeten ze maar gaan kantklossen met de radio aan. Het moge duidelijk zijn: Bert had - zo blijkt uit zijn laatste berichtje dat hij vandaag heeft verstuurd - zelf ook een gedicht ingestuurd en zat kennelijk niet bij de laatste 100.
    Goed, waarom lees ik dit allemaal voor? Die bloggers interesseren me niet eens zozeer. Maar de felheid waarmee over een zo ‘marginale’ kunstvorm als de poëzie wordt gesproken, doet ook goed: alsof het leven ervan afhangt. Er wordt over poëzie gediscussieerd op dezelfde verbeten wijze waarop vandaag onze maatschappelijke kwesties op straat en in ons kabinet worden doorgenomen. Met andere woorden: poëzie is eindelijk een volwaardig lid van de moderne samenleving. Er wordt gescholden op gedichten, ze zijn slecht en moeten weg! Met andere woorden: we bestaan weer.
    Maar er is nog iets anders dat me fascineert: die bekrompen stelligheid waarmee dat gedicht over die neergestorte zwerver wordt verkláárd. Voor Bert is het zonneklaar dat de beschreven kleding (‘in winterjas van mottig bont’) al meer dan voldoende aangeeft dat het hier om een allochtoon gaat. Hij vindt het waarschijnlijk al te uitleggerig dat de dichter ook nog vermeldt dat hij een ‘volle ruige baard’ heeft: natuurlijk heeft een allochtoon een baard. Maar die toespeling op knuffels / knuffelallochtoon, dat doet de deur dicht… Bert voelt zich onderschat als lezer. Hij is toch geen kind?
    Was het maar een kind. Er is namelijk een kans, dat het inderdaad helemaal niet om een allochtoon gaat, maar om een autochtone zwerver, gewoon zoals we die kennen, met een mottige winterjas en een onverzorgde baard. Eenmaal op straat gevallen zit hij er nu verdwaasd bij, als een levensgrote knuffel.
    Wie leest als een kind, met een open blik, zou er eigenlijk van alles in kunnen lezen. En dat is zowel het mooie als het gevaarlijke aan poëzie: zij confronteert ons met onze eigen beperkingen. Een gedicht is lenig en door zijn meerduidigheid in staat tot vele lezingen tegelijk - behalve die van de kwezels, van hen die ervoor zijn opgeleid of die alles beter weten. Droogstoppels blazen de dood in alle poëzie. Een gedicht vereist een lenige lezer.
    Wat te denken van het volgende gedicht, geschreven als brief, in de vorm van een driehoek? Adressant en briefschrijver worden benoemd, de verzen zijn helder, bijna prozaïsch in hun opgesomde mededelingen. Maar als lezer blijf je met telkens meer vragen achter: Beste Wiek,
de rozenstruik is ziek,
ook de Hazelaar, de Kruisbes
in het algemeen; de groei van alle
planten traag. veel krulblad en afgevallen
knoppen, meeldauw in de tomaten, courgettes niet
in orde, zwarte schimmel, schroeiplekken
in de cichorei, rot in stammen van
nog jonge bomen, de bloemkool
aangetast. bij sommige
ontbreekt het hart.
houd je haaks,
groeten,
Bart
Wat wil dit gedicht? Wie is Bart? Wie is Wiek? Bij iedere herlezing van dit merkwaardige gedicht realiseer ik me dat de namen me niet verder zullen helpen. Het gaat om wat er allemaal níet staat. Dat moet je zelf invullen. En je moet het ook willen.
    Uiteindelijk, dames en heren, is de enige sleutel tot begrip van poëzie het lezen van nog meer poëzie. Ook uw 100 gedichten begonnen, volstrekt anoniem, op de een of andere manier naar elkaar te verwijzen. Totale willekeur misschien, maar het gebeurt, omdat ik dat wil.
    Ik besefte het toen ik een gedicht las dat, hoe toepasselijk, ‘Afloop’ heet, en waarmee ik zou willen eindigen. Zoals je vroeger in zo’n puzzeltocht
nog uren van de finish liep te dromen;
je had al vroeg een afslag niet genomen
en kreeg pas aan het einde achterdocht.

Een pad naar rechts is ook een rechterbocht
en eiken zijn soms net kastanjebomen.
Je had gedacht heel ver te kunnen komen
maar alles bleek ten slotte vergezocht.

Zo vrees ik voor mijn laatste ogenblik.
Dat ik mijn levenspad afloop en schrik

omdat wat ik aan waarheid overhoud
ten slotte ook op drijfzand is gebouwd

en ik ineens heel zeker weet dat ik
al jaren met een ander ben getrouwd.
Wat hier ook staat, dát is wat poëzie met je doet. Ze brengt je op een dwaalspoor, je mist telkens weer een andere afslag en komt steeds opnieuw, zij het licht veranderd, bij de allereerste regel uit.

Beste dichters en dichteressen, mag ik tot slot nog één ding opmerken? Het is niet bedoeld als domper, maar één ding moet me van het hart. Ik ben tijdens het lezen de meest prachtige observaties tegengekomen, u bezit niet zelden een volstrekt originele manier van kijken, u maakt absurde gedachtesprongen en zet de werkelijkheid op haar kop. Maar toch. Wat ik miste werd me keihard ingepeperd toen ik het gedicht ‘Heb je krokussen in Kongo?’ las. Toen pas werd ik werkelijk over de Nederlandse grens heen getild. Het gedicht kwam niet voort uit een persoonlijke observatie, een mooie of slechte jeugdherinnering. Wat me schokte was dat plots iemand anders aan het woord kwam dan de dichter zelf: een Congolees. Eindelijk een gedicht dat mijn blik niet enkel kantelde, maar opentrok.
    Dus. Hoe zou het zijn, daarbuiten?
    Wat mij betreft: Meer Van Dat. De wereld is breder dan onze taal.




Ramsey Nasr is sinds 2009 Dichter des Vaderlands. Naast dichter en schrijver is hij ook acteur en regisseur en heeft voor zijn werk meerdere literaire en toneelprijzen gewonnen. Op zijn website zijn de gedichten voor het vaderland na te lezen.