Home   Nieuws   Over ons   Contact   Switch to English   Onderwijs   Kunst   Natuur   Lepra 
Juryrapport 201


zie ook:
De Derde Turing Nationale Gedichtenwedstrijd (2011)

Juryrapporten zoals voorgelezen op 24 januari 2012 bij de bekendmaking van de uitslag van de Derde Turing Nationale Gedichtenwedstrijd


Juryrapport bij de derde prijs:


De vorm is de inhoud in dit gedicht. Opgesloten in vier strofen van elk vier regels, klinkt een stem. Zacht, benauwd en hulpeloos. Eromheen druist een feest waaruit geen ontsnapping mogelijk lijkt: in elke strofe wordt de jij-figuur belaagd door een andere kleur - rood, blauw, geel en ten slotte wit - en erin opgenomen. Je voelt aan alles hoe deze vrouw weg moet, weg uit dit gedicht, uit deze claustrofobische strofen.

In pijnlijk mooie metaforen wordt de bijna-dood- of waarschijnlijker: de dood-ervaring van de aangesproken persoon weergegeven. Het begint met een gesuis, dan volgen hartkloppingen, stokkende adem, longoedeem. Aldoor is er het rumoer van carnaval, van een opgepropte mensenmassa, waardoor zich uiteindelijk tergend traag een gele ambulance weet te wringen, die de vrouw op een brancard in zich zal laten verdwijnen.

En je weet als lezer: de muziek stopt niet, het feest stopt niet, alles gaat door, er is geen ontsnappen aan. Het zijn twee volstrekt incompatibele werelden, waarbij de ene de ander niet eens opvreet maar negeert - en weer voortraast in vrolijkheid.

Om in vier kwatrijnen zo'n eenzaam, beklemmend en letterlijk onontkoombaar gedicht te schrijven, moet men van goeden huize komen. Zo'n gedicht verdient een prijs. De derde prijs van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd gaat naar: 'Carne Vale'.

Carne Vale

Terwijl de straten volstroomden met volk
zei je: ik hoor een zacht geruis, alsof iemand
een kraantje openzet. Traag reed een wagen
voorbij, met dansende dames in rode jurken.

Terwijl blauwe mannen vrolijk zwaaiden
zei je: ik droomde dat ze mijn hart wilden
stelen, voel het nog bonken. De luidsprekers
joegen een samba door de binnenstad.

Terwijl de hemel zich vulde met snippers papier
zei je: ik krijg te weinig lucht, alsof iemand
proppen in mijn borstkas stopt. Een knalgele
wagen draaide langzaam onze hoek om.

Terwijl je longen volstroomden met vocht
zei je: neem me nog een keer vast, ze komen
me halen. Onder luid gejoel tilden de dragers
de witte prinses op haar hemelbed.

                                                    Hilde van Cauteren


Juryrapport bij de tweede prijs:


Discommunicatie. Het bleek een sleutelwoord bij veel van de genomineerde inzendingen. Eťn van die gedichten trok de uiterste consequentie uit dat gegeven. De verzen zelf lijken er verstrikt te raken in hun kromme redeneringen, samengevoegde zinnen, verhaspelde uitdrukkingen.

Beleefd worden we aangesproken en onderworpen aan verscheidene vragen die we niet kunnen begrijpen, laat staan beantwoorden. Geen van de vragen of getrokken conclusies is ook maar in de verste verte persoonlijk te noemen, hoewel dit wel wordt geveinsd: de beginregel zet de toon. De vragen zijn werktuiglijk en lijken afkomstig van een call center. Je weet meteen: hier is niemand echt geÔnteresseerd. Maar men wil wel alles van u weten.

Niettemin is de dichteres erin geslaagd pure poŽzie van deze bureaucratie te maken.

Het gedicht dat de tweede prijs in de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd verdient is bijzonder sterk, zeer geestig, en geschreven met een flair die suggereert dat er geen moeite bij aan te pas kwam. Wie de verzen bekijkt, ziet echter meteen hoe minutieus ze zijn opgebouwd. De humor is daarnaast subtiel: het gedicht eindigt met een volledige strofe tussen haakjes, waarmee alles bijna casual virtuoos in het niets lijkt op te lossen, met de lichtheid waarmee Vladimir Horowitz een prelude van Rachmaninov besluit. Intussen hebben we de grootst mogelijke onzin over ons heen gekregen. Glimlachend wordt een schrikbeeld van onze toekomst geschetst, waarin elke persoon, elke burger tot een invullijst van eigenschappen wordt herleid.

Om te voorkomen dat dit gedicht zelf ongezien in het systeem verdwijnt, reikt de jury graag de tweede prijs uit aan het gedicht 'Bemoeizorg'.

Bemoeizorg

Uw geboortedatum sprak ons aan,
net als uw burgerservicenummer
in combinatie met uw blauwe ogen
en de krullen in uw haar.
Ontwikkelt uw stoornis zich naar wens,
uw burgerlijke staat? Of indien u die niet hebt
verzon u weleens een beperking
of een virtuele geboorteplaats?

Wie bent u zonder levenslied?

Leeft u van de wind, op grote voet
of er zomaar wat op los? Wist u dat u
niemand bent die nooit het laatste lacht
of iemand anders kent?
Waar hebt u voor het laatst ontbeten,
weet u wat uw ouders doen
in de kleine uurtjes van de nacht?

Wij die alles willen weten
vragen u per ommegaande
uw persoonlijkheid
aan ons retour te mailen

p.s.

Het extra bijgesloten formulier
voor Ongewenste Gebeurtenissen
moet voorkomen dat wij u wissen.
En om calamiteiten te vermijden
heeft ons systeem al ingevuld
uw voorgenomen datum van
overlijden.

(zodat wij straks niet hoeven gissen
of u zichzelf hebt opgegeven
of wanneer u bent gestorven
of hoe u in hemelsnaam, zonder ons
in leven bent gebleven, en wij op onze beurt
u hebben kunnen missen)

                                                    Kate Schlingemann

Juryrapport bij de eervolle vermelding:


Eťn gedicht wilde de jury per se een eervolle vermelding geven. Het is een gedicht dat radicaal een nieuw pad inslaat en dat op visionaire wijze een poging doet een poŽzie van de toekomst te creŽren.

Maar wat belangrijk is: het is niet slechts geslaagd als experiment, maar ook geslaagd als gedicht. Het klopt aan alle kanten, op meerdere niveaus. In eerste instantie valt het experimentele aspect op. Het is een gedicht dat tien jaar geleden nog niet geschreven had kunnen zijn, omdat simpelweg het gereedschap daartoe ťn de codetaal om het te begrijpen toen nog niet bestonden: toen wist niemand nog wat Twitter was.

Er wordt in dit gedicht met taal omgesprongen op een manier die de jury niet eerder is tegengekomen en die een verwantschap verraadt met Tonnus Oosterhoff. Het wemelt van de hashtags en van termen uit de hedendaagse media: maar ze staan er niet louter uit behaagzuchtig-moderne speelsheid. De jury nodigt iedereen uit te zoeken naar de betekenis van RT, FF en IRL, en zelf te ontdekken hoe elk van deze afkortingen een inhoudelijke functie heeft binnen het gedicht.

De jury wil benadrukken hoe ingenieus dit bouwwerk in elkaar steekt. Het is opgebouwd uit vier tweets, die ieder op zich een strofe vormen. Elke strofe bestaat uit het maximum aantal tekens dat een tweet mag bevatten: 140. Daarnaast is het een sonnet, met twee kwatrijnen en een sextet. En ten slotte, voor wie wil vormt het ook een intrigerende speurtocht door een triptiek van Lucas van Leyden: Het Laatste Oordeel. Je zou het bijna een klassiek gedicht willen noemen.

Met een eervolle vermelding wil de jury graag een lans breken voor deze toekomstgerichte, nu nog vreemd aandoende poŽzie, en kijkt uit naar de eerste bundel geheel gevuld met tweet poetry, waarin uiteraard opgenomen het sprankelende gedicht: 'Twitter - de echo's van de #eeuwigheid'.


Twitter - de echo's van de #eeuwigheid -
(ontdek wat zich afspeelt in de wereld van het eeuwige ogenblik in vier
tweets van 140 tekens - #twoosh -)

(Bij Lucas van Leyden's 'Drieluik met het Laatste Oordeel' 1526/ 7)

@bij het aanbreken van de #jongste dag
vormen de #naakte man en #hemelse
klaar-over een ideaalbeeld deze
#twitterquitters troosten ons RT

geen enkele #tweet brengt ons
nader tot #God maar het verlangen
van de #tweeps leidt wel tot tedere
scenario's tussen tweebie en #engel FF

@zoals tijdens de #jongste dag van Lucas
onderweg naar de #hemel vat een #engel #wellustig
en met volle hand de #billen van een #geredde LOL

kijk en hoor hoe de echo van de #eeuwigheid met
#polyfone versiering bij het aanbreken van de
#jongste dag noodt tot vele zinloze dingen IRL

                                                    Chris den Engelsman


Juryrapport bij de eerste prijs:


Sommige gedichten zijn meteen, bij de eerste lezing, wat ze daarna zullen blijven: onontkoombaar. En een jury die op zoiets aast, mag wel heel gelukkig zijn als er een gedicht komt bovendrijven dat niet alleen deze eigenschap bezit, maar daarnaast diezelfde onontkoombaarheid als thema heeft. Bij dit gedicht viel alles samen. Het rijm is behendig onopvallend verstopt, organisch opgenomen in het lichaam.

Want dit is een lichamelijk gedicht: je ruikt het zweet, de modder. En ja, het is de herinnering aan een jeugd, maar je weet: hier is geen plek voor heimwee of nostalgie. Deze jeugd heeft zich in de hoofdpersonen genesteld, het is een jeugd die in hen zit, die ze willens nillens meedragen. Een jeugd waar ze nooit meer van af zullen raken. Want het was er geen.

Elk vers in dit gedicht ademt het onvermogen los te raken van een afkomst, van de voorvaderen.

En op ingenieuze wijze behandelt het gedicht ook zijn eigen onmacht: de taal waarin het is opgesteld dient enkel om de lezer ervan te doordringen dat in deze verzen, deze jeugd, geen plek was voor zoiets als de schoonheid van literatuur. In dit dwingende gedicht valt niet te kiezen, dringen geen jongensboeken door: hier is geen verbeelding of ontsnappen mogelijk. Het is de onontkoombaarheid van het volle leven, de volwassen werkelijkheid.

Het gedicht greep ons allen bijzonder aan.

De winnaar van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd trok de jury in al zijn beelden en zijn lichamelijke taal diep de zompige Hollandse klei in. Het leek ons doordesemd van streng-calvinistisch determinisme en van een boerse aardsheid die deed denken aan 'Knielen op een bed violen'.

De jury had het fout. Geen Jan Siebelink, maar Constant Permeke.

Vrolijk verrast kijkt de jury op, nu blijkt dat met gedicht nummer 6446 geen Nederlander maar een Vlaming wordt bekroond: 'wij waren geen jongens'.


wij waren geen jongens

wij hadden vaders, wij waren zonen. het volstond niet
dat wij driemaal daags spek en spinazie vraten.
de hemdsmouwen moesten omhoog,

wij moesten tonen hoe hard wij de spieren in onze bovenarmen
op konden spannen. wij zweetten als zwijnen, groeven bloederige kloven
in onze handen, wroetten in het stof waarin onze voorvaderen
al jaren liggen te liggen

en kregen het vuil amper onder onze vingernagels vandaan.
wij moesten voelen met wat wij tussen de benen geboren waren, jongens,

maar hadden niet eens een eigen kamer
waar wij voorovergebogen, met opgetrokken knieŽn
en met de neus in andere werelden zaten.

wij ondervonden aan den lijve dat doordringende boerenstank
je harder in het gezicht kan slaan dan wat vuistdikke boeken.

                                                    David Troch